aicdirt.jpgColumbia, 1992

Een selffulfilling prophecy, dat was ‘Dirt’, een angstaanjagende junkie-koortsdroom die muzikaal gestut werd door Jerry Cantrells afwisselend ziedend harde en melodieuze gitaarwerk. Dat het een – vrij laat – eerbetoon was aan de aan drugs bezweken Andrew Wood, lieten die van Alice in Chains ons geloven, en daar gingen we in mee. Voor de Seattle-generatie, met als voornaamste vertegenwoordigers Soundgarden, Mudhoney, Pearl Jam, – in mindere mate –Nirvana en natuurlijk Alice In Chains, was de zanger van Mother Love Bone een soortement trieste christusfiguur geworden, die met zijn dood niet alleen de drugszonden in het wezenloos grauwe Seattle had weggewassen, maar bovendien een reddingsboei had uitgegooid naar de toen nog vrij anonieme plaatselijke rockscene. Een reputatie die werd gehonoreerd met het Temple of the Dog-project (met leden van de enkele voorname Seattle-iconen), dat met de gelijknamige plaat een van de sterkste releases van de grungejaren opleverde. En hoewel we die Layne Staley maar een rare snuiter vonden, die zich ook al op het langspeeldebuut ‘Facelift’ laafde aan isolement (‘Man in the Box’) en nihilisme (‘We Die Young’), waren weinigen er meteen van overtuigd dat de ik-figuur op ‘Dirt’ hemzelf was.

Misschien waren we te veel onder de indruk van de machtige sound die de band op hun tweede langspeler neerzette. Terwijl de nostalgische trips van bands als Pearl Jam en Soundgarden de ‘zachtere’ regionen van de seventies rock en hardrock verkenden, refereerde Alice in Chains op ‘Dirt’ nog geen klein beetje aan Black Sabbath. Bovendien zette Staley met zijn ietwat neuzelende maar haarscherpe stemgeluid een deprimerende, met zichzelf worstelende madman neer. De toen al in een redelijk vegetatieve toestand verkerende Ozzy Osbourne had een opvolger, dat was zeker, en dan nog een die het niet over duivels, Mr. Crowleys en ander occults had, maar over thema’s waar jongeren zich toentertijd – en hoogstwaarschijnlijk nu nog – in konden herkennen: uitzichtloosheid, verveling en de daaraan verbonden sluimerende depressies.

Dat Staley zo’n heerlijke vocale tandem vormde met Jerry Cantrell, droeg alleen maar bij tot de euforische reacties waarop ‘Dirt’ werd getrakteerd. Hun stemmen schuurden heerlijk theatraal over elkaar, met die van Cantrell als tegengif voor het venijn dat over Staleys stembanden rolde. Die bizarre harmonie bereikt op ‘Dirt’ een hoogtepunt tijdens het slepende titelnummer en het met Sabbath-verwijzingen doorspekte ‘Junkhead’, waarin een in cynische junkie-arrogantie verzonken Staley (‘But we are an elite race of our own/the stoners, junkies and freaks’) in het refrein een warme omhelzing krijgt van zijn kompaan, waardoor het ineens hoopvol gaat klinken, ondanks de penibele situatie waarin de zanger zich lijkt te bevinden (‘What’s my drug of choice?/Well, what have you got?/I don’t go broke/And I do it a lot’).

Hoewel ‘Dirt’ onmogelijk kan losgekoppeld worden van zijn tekstuele insteek en Staleys onmiskenbare charisma als frontman, blijft de plaat ook qua songs staan als een huis. De rollende drumpatronen, de bezwerende strofes en de koppige riff van absolute-doorbraaksingle ‘Would?’ (ook op de soundtrack van Seattle Story ‘Singles’) blijven imponeren, net als het hoge doemgehalte van ‘Hate To Feel’, de tegendraadse gitaaraanslagen en solo’s van opener ‘Them Bones’ – met het profetische Cantrell-refrein ‘I feel so alone/Gonna end up a big ole pile of them bones’ – en de zure ritmische oprispingen van ‘God Smack’.

De lichtpunten op ‘Dirt’ zijn er eigenlijk geen. ‘Rooster’, over een Vietnam-scherpschutter (de vader van Cantrell) die ten onder gaat aan de waanzin van de oorlog en het misprijzen aan het thuisfront, trekt zich na een voorzichtige start en heerlijke samenzang terug in neerslachtigheid. ‘Down In A Hole’ is dan weer bedrieglijk melodieus, want achter de façade van de naar Alice In Chains maatstaven vrij frisse aanpak, wentelt Staley zich in zelfbeklag en doodsverlangen.

‘Dirt’ telt geen enkele track die niét door merg en been snijdt, en hoewel er met ‘Jar of Flies’ nog een indrukwekkende, als ep vermomde (semi-)akoestische plaat volgde en hun ‘Unplugged’-sessie voor MTV (1996) tot de beste in de serie mag gerekend worden (hallo, Korn?), konden Staley en co. deze million seller qua intensiteit nooit meer overtreffen. Al helemaal niet op hun titelloze laatste langspeler, die na een sterk eerste deel als een pudding in elkaar zakte. Het MTV-optreden liet een zichtbaar afgetakelde, achter een grote zonnebril verscholen en soms erg toononvaste Staley zien, en op het hoesje werd hij afgebeeld als een schaduw, een perfecte metafoor voor de schim die hij ondertussen was geworden. Het was een van zijn laatste publieke optredens. Na de dood van zijn levensgezellin in datzelfde jaar – volgens intimi de laatste druppel voor de getergde zanger – trok hij zich grotendeels terug uit het publieke leven en werd het gruwelijke junkiescenario dat hij voor ‘Dirt’ had geschreven, pijnlijke werkelijkheid. In de studio liet hij zich enkel nog zien voor de opnames van twee nieuwe nummers voor de ‘Music Bank’-verzamelbox en van de Pink Floyd-cover ‘Another Brick in the Wall (part 2)’, die op de soundtrack van Roberto Rodriguez’ The Faculty verscheen.

Een van de laatste tekenen van leven voor de buitenwereld waren zijn woorden in het interview met schrijfster en Alice In Chains-fan Adriana Rubio (2002), waarin de Doherty-glamour van het druggebruik ver te zoeken is: ‘I’m not using drugs to get high like many people think. I know I made a big mistake when I started using this shit. It’s a very difficult thing to explain. My liver is not functioning, and I’m throwing up all the time and shitting my pants. The pain is more than you can handle. It’s the worst pain in the world. Dope sick hurts the entire body’. Hij stierf datzelfde jaar nog in de volstrekte, slopende eenzaamheid die jarenlang centraal stond in zijn teksten, enkel bijgestaan door wat hij in ‘Junkhead’ omschreef als zijn ‘old favourite’.

Staley werd net geen 34 jaar, maar is net als deze ultieme Alice In Chains-plaat eentje voor de eeuwigheid.