
Regie: Joe Berlinger, Bruce Sinofsky Met: James Hetfield, Lars Ulrich, Kirk Hammett, Bob Rock e.a. 141 min. / USA / 2004
Het zijn toch twee heel verschillende wereldjes hoor, de filmscene en de muziekbusiness. Kijk, in film is het belangrijk om altijd zo normaal mogelijk te lijken. Filmsterren, de occasionele uitzondering daargelaten (Dennis Hopper, Charlie Sheen) doen steeds hun best om de indruk te geven dat ze gewone huismussen zijn als u en ik: Brad Pitt die beweert dat hij liever met z’n honden speelt dan met Jennifer Aniston of nu (misschien) Angelina Jolie. Reese Witherspoon en Ryan Phillipe die trouwen op hun – wat, vijftiende? – omdat ze toe zijn aan wat geborgenheid. Dat soort dingen. Filmsterren willen u doen geloven dat ze net zijn zoals iedereen, terwijl rocksterren – dàt is het leven! Seks, drugs en rock ‘n’ roll, en véél van alles! Wie op z’n vijfentwintigste nog niet minstens vier keer in een afkickcentrum heeft gezeten, is echt niet mee met de tijd. Hordes buitenechtelijke kinderen moeten achter je aan lopen, vrouwen (of mannen, waarom niet?) moeten je aanklagen omdat je ongevraagd aan hun lijf hebt zitten frunniken, the sky is the limit. Excessief gedrag is nog niet excessief genoeg.
Althans, dat is hun imago. Wie graag dat beeld wil bewaren van z’n favoriete rockheld, kan maar beter niet naar ‘Metallica: Some Kind of Monster’ kijken, een documentaire waarin de mythe van de hardcore heavy metal-helden vakkundig van al z’n franjes ontdaan wordt. Onder dat exterieur van manische energie, tomeloze agressie en toondoof, maar knallend luid geschreeuw naar de volle maan, gaan schijnbaar enkel een paar o zo kwetsbare zieltjes schuil die hun toevlucht moeten nemen tot therapie om de productie van een volgende cd te overleven.
Het is 2001 en eerlijk gezegd loopt het niet zo lekker met Metallica. Het is al jaren geleden dat er nog eens een nieuwe plaat is uitgekomen, basgitarist Jason Newsted is het afgetrapt omwille van de fysieke schade die hij zichzelf heeft berokkend bij de live optredens, zanger James Hetfield zit met een drankprobleem zo groot als een huis en geen van allemaal hebben ze echt wat je noemt briljante ideeën voor hun volgend album. Met de moed der wanhoop trekken ze een studio in San Francisco in, in de hoop dat er een plaat zal ontstaan. Ze worden hierin bijgestaan door groepstherapeut Phil Towle, die hen moet leren om opnieuw met elkaar te communiceren. Pas in 2003 zal de plaat ‘St. Anger’ verschijnen – een hit, daar niet van, maar niet iedereen was er even enthousiast over, ook niet hier op de Digg*-redactie. Filmmakers Joe Berlinger en Bruce Sinofsky waren erbij om elk moment van de martelgang op film vast te leggen en het resultaat is ontluisterend.
Het is vreemd om drie metal-goden rond een tafel te zien zitten om hun tere zieltje bloot te leggen. Dit zijn mannen die op een podium hun gitaren kapotslaan, die in een micro gillen alsof ze ‘m willen opvreten en die in hun blote bovenlijf hun transpiratie het publiek in laten spetteren als waren ze levende sprinklersystemen. En juist die kerels moet je dan van die vreselijke psychiaterpraat horen uitslaan als: ‘Ik voel mij bedreigd in mijn individuele betrokkenheid bij het project wanneer je achter m’n rug om naar de opnames luistert. Hoe voel jij je daarbij?’ Slaande deuren en bezopen ruzies, jà, maar dit soort voorzichtige therapeutische conversaties... Er is niks waar minder rock ’n roll inzit.
De drie resterende leden van Metallica onthullen zich als ongewild hilarische figuren: James Hetfield is een pseudo-artistieke huilebalk die zo onzeker is van zichzelf dat hij ’s morgens in de spiegel kijkt en er niet van overtuigd is dat hij het wel is. Hij verdwijnt bijna een jaar lang uit de studio om z’n drankprobleem op te lossen en wanneer hij eindelijk terugkomt, mag hij slechts vier uur per dag werken, wat de anderen vaak tot wanhoop drijft – zit je net in het midden van een opnamesessie die goed verloopt, moet hij weer weg. Hetfield echter, is eminent ongeïnteresseerd in wat andere mensen van hem denken en kijkt de rest van de wereld aan alsof hij wilt vragen: “Kén ik u ergens van?”
Lars Ulrich, medebezieler van de band, is echter ongetwijfeld de grootste eikel in het bos: als enige inwoner van de planeet Lars Ulrich is hij er enkel mee begaan om toch maar iedereen z’n kont te laten kussen. Hij gaat tekeer als een klein kind dat z’n zin niet krijgt wanneer hij wordt tegengesproken, roept zichzelf uit tot kunstkenner omdat de één of andere adviseur hem heeft aangeraden om een paar immens dure doeken aan z’n muur te hangen (dixit Ulrich: “Uhm... Ik hou van dat zwart. Net als in het leven.”), en beschouwt zichzelf blijkbaar als de kunstzinnige ziel van het gezelschap. “Ik wil dat de nieuwe plaat uitdrukt waar we staan als band,” zegt hij, niet geheel verstoken van enige zelfingenomenheid. Wat wellicht verklaart waarom we teksten te horen krijgen als: “My lifestyle determines my deathstyle – frantic tick tick tick tick.”
Kirk Hammett, tenslotte, probeert zoveel mogelijk kalm te blijven en houdt zichzelf wijslijk op de achtergrond terwijl die clash van geaffronteerde ego’s voor zijn neus plaatsvindt. Hij is de enige halfweg normale ziel van de band.
Het laatste dat je van ‘Some Kind of Monster’ kunt zeggen, is wel dat het een egostuk is geworden: de leden van Metallica worden op hun allerzieligste momenten getoond (Spinal Tap is nooit veraf), en in die zin is het ongelooflijk fascinerend om te zien hoe mensen die àlles hebben, zichzelf toch de psychologische, emotionele en fysieke vernieling in kunnen drijven. Teveel drank, drugs, roem en een veel te fel opgeblazen ego vormen een explosieve mix waar op termijn niemand aan kan ontsnappen. In ‘Some Kind of Monster’ zien we de band totaal op hun kont vallen om vervolgens, langzaam maar zeker, weer recht te kruipen. Of je nu van hun muziek houdt of niet, het ís een fascinerend zicht op menselijke ijdelheid in z’n meest groteske vormen.
Door Dennis Van Dessel 07/08/2005 - categorie : movie - 
verstuur dit artikel aan een vriend    Share on Facebook
 Lees de reacties (4) van anderen of geef uw mening
|