
Regie: Elia Kazan Scenario: Tennessee Williams Met: Marlon Brando, Vivian Leigh, Kim Hunter, Karl Malden, Rudy Bond e.a. 125 min. / USA / 1951
Sommige acteerprestaties zijn zo sterk, dat ze vijftig jaar later nog steeds nagalmen in het werk van de jongere generatie. Zeg maar van wijlen Marlon Brando wat je wilt – hij mompelde zijn teksten, hij was naar het einde van carrière een luie acteur geworden die al z’n rollen op dezelfde manier speelde in de veronderstelling dat dezelfde oude trucs wel zouden blijven werken – maar ‘A Streetcar Named Desire’ was de eerste echte kennismaking van de wereld met method acting. Jack Nicholson, Robert De Niro, Al Pacino en recenter acteurs als Edward Norton, zetten tegenwoordig een traditie verder die voor het eerst werd geïntroduceerd door Brando in deze film. Zijn personage, Stanley Kowalski, is een bruut, hij is de belichaming van een nachtmerrie van mannelijke, agressieve seksualiteit en voor een film uit 1951, is het opvallend hoe overtuigend Brando die rol bewoont. Hij houdt zich nergens in – waar andere acteurs van zijn generatie de grens zouden trekken, is waar Brando begint.
Het verhaal, gebaseerd op een toneelstuk van Tennessee Williams, draait rond Blanche DuBois, een lager aan wal geraakte Zuiderse belle die naar New Orleans komt om wat tijd door te brengen bij haar zus, Stella (Kim Novak). Blanche is een geval apart, zoveel is duidelijk: ze tatert onophoudelijk, drinkt teveel en maakt continu kwetsende opmerkingen die waarschijnlijk niet zo bedoeld zijn – over het huis waarin Stella woont, over de mensen die de buurt bevolken en vooral over haar man, Stanley Kowalski. Stanley is één grote brok machismo in een vuil t-shirt – een arbeider met een stel sterke handen en overmatig actieve zweetklieren, die Blanche vanaf het begin schrik aanjaagt.
Stukje bij beetje komen we te weten wat Blanche precies tot in New Orleans heeft gedreven – haar echtgenoot heeft zelfmoord gepleegd en de suggestie bestaat dat hij dat deed omdat zij niet kon leven met zijn homoseksuele neigingen. Ze is de familie-eigendommen kwijtgeraakt en zoals Stanley later ontdekt, doen er verhalen de ronde over een bepaald hotel met een slechte reputatie, waar ze meer dan eens gezien werd. De situatie tussen Blanche en Stanley wordt steeds grimmiger, tot er een onvermijdelijke uitbarsting komt.
‘A Streetcar Named Desire’ was, zeker voor zijn tijd, een bijzonder seksueel geladen stuk – wanneer Blanche de beroemde tekst ‘I have always depended on the kindness of strangers’ uitspreekt, weten we maar al te goed wat ze bedoelt: om te overleven heeft ze zich moeten prostitueren. Vandaar die referenties naar het hotel. Bovendien circuleert er een vreemd verhaal over een relatie die ze gehad zou hebben met één van haar leerlingen (Blanche was een lerares Engels). Haar reis naar New Orleans is meer een vlucht van haar verleden dan wat anders – onder haar toenemende emotionele en mentale instabiliteit kunnen we nog een vage schim zien van de verfijnde dame die ze vroeger was. Een dame van het Zuiden, die een elegante levensstijl gewend was, in alle luxe en comfort. Tot alles haar uit de vingers begon te glippen, met de dood van haar ouders en haar man – vandaar is het allemaal bergaf gegaan, ze is terecht gekomen in een doolhof van seksuele liaisons en het resultaat was dat ze niet anders kon dan haar zus opzoeken.
En eens ze daar aankomt, gaat het niet veel beter. Stanley en Stella hebben immers een zeer zintuiglijke, seksueel gedreven relatie met elkaar – Stella vertelt betekenisvolle verhalen over hun huwelijksnacht die aangeven dat Stanley tussen de lakens al evenzeer een beest is als overal elders. Maar hij is al even afhankelijk van haar – wanneer Stella na een ruzie naar de bovenburen vlucht, zien we Stanley onderaan de trap zijn beroemde kreet slaken, een dierlijke gil: ‘Hey, Stellaaaa!’ Let dan op de scène waarin Stella de trap afkomt – haar lichaamshouding, de blik in haar ogen, het zweet op haar huid. Dit is harde porno met de kleren aan, alle seksscènes in ‘Basic Instinct’ tesamen genomen en vermenigvuldigd met tien bevatten nog niet zoveel zinderende erotiek. We kunnen ons maar al te goed voorstellen wat er vijf minuten na de fade-out aan de gang was, én wie op dat moment de emotionele en seksuele overhand heeft. Niet Stanley de sterke man, neenee – Stella. De vrouw.
Voor 1951 was dat straffe kost – een vrouw die haar scandaleuze seksuele verleden achterlaat, enkel om terecht te komen bij twee minnaars die, om het zo maar even te zeggen, er regelmatig tegenaan gaan als konijnen. Blanche is bang van Stanley – na hetgeen ze allemaal heeft meegemaakt is dat ook geen wonder. En Stanley is op geen enkel moment van plan om haar met rust te laten. Hij is ervan overtuigd dat ze nog ergens geld heeft verborgen, hij voelt zich gekleineerd door haar snobistische uitspraken én, niet onbelangrijk, hij ziet haar eigenlijk ook wel zitten. Met z’n agressieve gedrag tegenover haar, drijft hij haar zienderogen verder de waanzin in. Blanche heeft nooit een kans tegen hem.
Het is een fascinerend schouwspel, hoe dat alles zich ontwikkelt tussen drie mensen. De manier waarop Tennessee Williams het stuk heeft gestructureerd, houdt in dat Blanche gaandeweg alle hoop op een goede afloop verliest – Mitch (Karl Malden), een vriend van Stanley en een zachtaardige, goedbedoelende sukkel, probeert echt om haar te begrijpen en te helpen, maar het mag niet baten. Uiteindelijk moet ook hij de hoop opgeven. Andere nevenpersonages realiseren zich niet wat er gaande is, of zien geen kans om in te grijpen. Hoe dan ook: Blanche staat er alleen voor. Zelfs haar zus, haar steun en toeverlaat, wordt haar uiteindelijk afgenomen, wanneer die naar het ziekenhuis vertrekt om te bevallen. Het is dan dat Blanche haar finale ondergang beleeft.
‘A Streetcar Named Desire’ heeft sinds de tijd van z’n release vanzelfsprekend wel wat van z’n seksuele kracht moeten inboeten – Kim Hunters afdaling van de trappen blijft een stukje van de meest sensuele cinema ooit gefilmd, maar voor het overige lijkt het me weinig waarschijnlijk dat hier nu nog iemand geschokt zal buitenkomen. Wat de film toch interessant maakt, ook nu nog, is de manier waarop dat intelligente seksuele rollenspel wordt vormgegeven in een zwoele zwart-wit cinematografie, die de hitte in de straten van New Orleans bijna in golfjes van het scherm doet afslaan. En, bovenal, de acteurs. ‘Streetcar’ vertegenwoordigt een breuk in de tradities van Amerikaans acteerwerk – een breuk die letterlijk in de film zelf zichtbaar is. Vivian Leigh, toen de ster van de prent, hanteert nog een meer traditionele stijl (die overigens absoluut z’n charme heeft), en werkt opvallend met haar mimiek en met soms theatraal gedebiteerde dialogen. En zij wordt dan tegenover Brando gezet, die waarschijnlijk nooit van z’n leven een dictieles heeft gevolgd en gewoon àlles speelt vanuit z’n emoties, zonder merkbare tussenkomst van het verstand. Die clash tussen twee acteerstijlen werkt als de verderzetting van de clash tussen de personages en ze maakt van de film nog steeds een zeer indrukwekkende ervaring. Verouderd, misschien, maar wél nog steeds indrukwekkend.
Door Dennis Van Dessel 24/10/2004 - categorie : movie - 
verstuur dit artikel aan een vriend    Share on Facebook
 Lees de reacties (1) van anderen of geef uw mening
|