Regie: Alfred Hitchcock Scenario: Robert E. Sherwood, Joan Harrison Met: Laurence Olivier, Joan Fontaine, Judith Anderson, George Sanders e.a. 125 min. / USA / Alle leeftijden / 1940
Een immens oud landhuis, diepe schaduwen, een onheilspellende bediende en het schilderij van een dode vrouw des huizes tegen de muur – Daphne Du Maurier, de schrijfster van de roman ‘Rebecca’, was niet vies van een cliché af en toe. Haar gothic horror vertellingen zouden later nog bekende verfilmingen krijgen met bijvoorbeeld Hitchcocks ‘The Birds’ en Nicolas Roegs ‘Don’t Look Now’, maar ‘Rebecca’ zal wellicht altijd het werk blijven waarvoor ze het meest herinnerd wordt. De filmadaptatie was Hitchcocks eerste prent in de Verenigde Staten en filmadepten overal ter wereld zijn er nog steeds niet uit of dit nu een Hitchcockfilm dan wel een Selznickfilm is – David O’Selznick, één van de grote producenten uit het oude studiosysteem, kwam net van een triomf met ‘Gone With The Wind’, en hij ging die corpulente Brit niet méér autonomie geven dan strikt noodzakelijk. Hitchcock was razend omwille van zijn bemoeienissen en onteigende ‘Rebecca’ achteraf als een gecompromitteerde film. Maar de prent kreeg wel elf Oscarnominaties, won voor beste film, en wordt nu beschouwd als één van zijn beste.
Joan Fontaine speelt onze naamloze heldin, die als gezelschapsdame voor een irritante kwekmadam mee op reis gaat naar Monte Carlo. Daar maakt ze kennis met de knappe, steenrijke edelman Maxim de Winter, en het is liefde op het eerste gezicht: zijn stiff upper lip ontdooit een beetje, haar ogen gaan troebel staan. In een film uit 1940 wordt het niet veel suggestiever dan dat, maar we merken wel wat er gaande is. De Winter besluit stante pede om met het onschuldige meisje te trouwen, en de twee nemen hun intrek in de Winters landgoed, Manderley.
Daar, in dat enorme kasteel waar achter elke deur wel een gekke wetenschapper zou kunnen zitten die “It’s alive!” gilt, wordt de nieuwe Mrs. de Winter echter geconfronteerd met haar voorgangster, Rebecca, die enkele jaren eerder omkwam bij een zeilongeluk. De geest van Rebecca waart nog overal rond in de grote zalen en gangen van Manderley – alles dat onze heldin doet, wordt afgewogen tegenover de manier waarop Rebecca het vroeger deed. Haar hele leven staat plots in de schaduw van een dode, met wie ze zich nooit zal kunnen meten. Vooral de angstaanjagende huisvrouw Mrs. Danvers, een glaciale dame die eruit ziet alsof ze handige tips voor de bereiding van vers babyvlees zou kunnen geven, maakt de kersverse bruid moedwillig het leven zuur: “You thought you could be Mrs. de Winter, live in her house, walk in her steps, take the things that were hers! But she's too strong for you. You can't fight her - no one ever got the better of her. Never, never.” Ik weet niet hoe het met u zit, maar dat soort van bediende zou van mij haar ontslag krijgen, denkt u niet?
Het verhaal van ‘Rebecca’ is in essentie een romantisch pulpthrillertje, volgestouwd met elementen waar zelfs befaamd gothic schrijfster Anne Radcliffe haar hand niet voor zou hebben omgedraaid: krakende trappen, loslopende spoken (letterlijk of figuurlijk), smerige familiegeheimen, moord en verraad. Het mooiste voorbeeld daarvan is wel de figuur van Mrs. Danvers zelf, één van de meest onvergetelijke slechteriken uit de filmgeschiedenis: haar haar opgestoken tot het zo strak staat dat het bijna ontploft, steeds een lijkbiddersgezicht, een lijzig toontje in haar stem (ze declameert àl haar dialogen alsof ze wilt zeggen: “Be afraid, be very afraid!”), en dan ook nog eens haar eigenaardige gewoonte om ’s nachts door de duistere gangen te schreiden met enkel een kaars in haar hand als verlichting. Als ze een plakkaatje had gedragen met de woorden: “Ik deug voor geen meter”, had het niet duidelijker kunnen zijn dat ze voor geen meter deugt. Is dit een geloofwaardig personage? Natuurlijk niet – maar Hitchcock heeft als regisseur wel voldoende gevoel voor humor om dit soort van pompeuze situaties toch recht te trekken. Hij geeft ons een knipoog dat het allemaal niet ernstig bedoeld is, en dat combineert hij dan met filmmakerij van de bovenste plank.
‘Rebecca’ opent met een spookachtige travelling doorheen het domein Manderley, tot we uiteindelijk het kasteel zelf zien. De bekende openingstekst ‘Last night, I dreamt I went to Manderley again,’ introduceert ons aan de setting nog voor we weten wie er aan het spreken is. En zo blijft het ook – we komen nooit de echte naam van de tweede Mrs. de Winter te weten omdat die irrelevant is. De Winter is niet hoofdpersonage, Manderley is dat. Dat landgoed dat daar al jaar en dag even onverschillig staat en een symbool wordt voor alle problemen die de hoofdpersonages ondergaan. Die openingsscène, waarin Manderley voor het eerst getoond wordt, heeft een dromerige kwaliteit – het beeld is net niet helemaal in focus, de camerabewegingen zijn zo zweverig als ze in die tijd gemaakt konden worden. Het lijkt wel alsof Hitchcock ons met die eerste scène in een soort van hypnose wilt brengen, alsof hij ons figuurijk een droomwereld binnenleidt, waarin alles mogelijk is. En die belofte van vreemde, surrealistische gebeurtenissen wordt ook gehouden tijdens de rest van de film.
Zo wordt het bestaan van geesten in deze film opvallend ernstig genomen – natuurlijk bestaan er spoken, maar dan niet van de variant met witte lankens en kettingen. Een spook is enkel een herinnering die je wilt kwijtraken zonder dat het lukt. Iedereen heeft spoken, en die zijn angstaanjagender dan eender welke variant in een Stephen Kingverhaal. We krijgen personages zoals een mentaal gehandicapt hulpje dat op een ronduit waanzinnige manier uit z’n ogen kijkt, en natuurlijk de onontkoombare Mrs. Danvers, die de hele film domineert en in één memorabele scène de nieuwe Mrs. de Winter zelfs zover wil krijgen uit een raam te springen. Mist doortrekt het landgoed en zowat alle personages lijken méér te weten over het verleden dan de heldin. De sfeer van ‘Rebecca’ zit vanaf begin tot eind helemaal goed – om dit soort van verhaal te vertellen, is er een zeer delicate balanceeract vereist om te vermijden dat het simpelweg lachwekkend wordt. Hitchcock weet dat evenwicht te vinden, door z’n film te beginnen met humor (de eerste twintig minuten, in Monte Carlo, zijn in feite louter komisch) en dan daarna de toon langzaam maar zeker meer in de richting van het melodrama te verleggen. Die veranderingen in toon en tempo komen er zo geleidelijk dat het publiek zich simpelweg in de luren laat leggen – aan het einde zijn we naar een levensgrote soap opera met de overtonen van een thriller aan het kijken, maar we stellen er ons geen vragen bij, omdat het zo goed gestructureerd is.
Mrs. Danvers is essentieel voor het succes van de film – zij is het personage dat mensen zich herinneren en ze wordt met een ongelooflijk precisie gespeeld door Judith Anderson. Haar rol zou later nog talloze malen geïmiteerd worden en fans van ‘Rebecca’ voeren nog steeds discussies over de vraag of Hitchcock hier een lesbische fascinatie van Mrs. Danvers voor Rebecca wilde insinueren. Voelde Danvers zich inderdaad aangetrokken tot Rebecca en voelt ze daarom zoveel antipathie voor de nieuwe dame van het huis? Het klinkt aannemelijk, hoewel het in een film uit die tijd natuurlijk moeilijk te zeggen is.
‘Rebecca’ is een film die zich verheft boven z’n bronmateriaal – een pulpromannetje van dertien in een dozijn, waar toch zoveel sfeer en zelfrelativerende humor in wordt gestoken, dat de prent veel meer wordt dan dat. Faut le faire.
Rebecca valt niet meer onder copyright en is in z'n geheel te bekijken via YouTube. Hieronder vindt u deel één. Door even door te klikken naar YouTube kunt u de rest ook vinden.