
Regie: Oliver Stone Scenario: J. Randal Johnson, Oliver Stone Met: Val Kilmer, Meg Ryan, Kyle MacLachlan, Kathleen Quinlan, Kevin Dillon, Frank Whaley, Michael Wincott e.a. 141 min. / USA / 16 jaar / 1991 Ik heb een kennis die echt een ongelooflijke Doors-freak is, maar dan ook echt op het randje van het ziekelijke af: hij gaat regelmatig op bedevaart naar Parijs (Père Lachaise, de flat waar Morrison z’n laatste jaren doorbracht enz...), heeft alle platen, bootlegs en zeldzame opnames, een boekenkast vol biografieën en tijdschriften, noemt u maar op. Toen ik ‘m aansprak over de film, lachte hij eens, en hij wist me te vertellen dat de regisseur voor de Morrison uit ‘The Doors’ één aspect van het karakter van de zanger heeft gekozen, en dat vervolgens duizendmaal heeft uitvergroot. Wat Stone vergeet te tonen, volgens hem, is de mens die erachter schuilging, een man die vaak erg verlegen en timide was en die zich kinderlijk kon gedragen in gezelschap en zelfs op een podium. De Morrison van ‘The Doors’, is de mythe Morrison. De Morrison waar depressieve pubers in geloven. Maakt dat er een slechte film van? Helemaal niet. Maar zoals altijd bij Stone (vooral in zijn meer politiek geëngageerde films), is het belangrijk om de fictie van de realiteit te onderscheiden. We volgen de enigmatische zanger tijdens zijn snelle opkomst en nog snellere ondergang als rockidool en sekssymbool. Hun vroege successen, hun experimenten met drugs en Jims ontmoeting met Pamela Courson (Meg Ryan in een zeer ongewone rol). De muziek van The Doors betekende een belangrijke overgang naar een meer psychedelische inhoud in een muziekgenre dat tot dan toe werd gedomineerd door luchtige, banale deuntjes. Met hun zware teksten, vaak doorspekt met seksuele inhoud en verwijzingen naar klassieke literatuur (‘The End’, bijvoorbeeld), wisten ze een onmiskenbare identiteit op te bouwen waar niemand anders aan kon tippen. De muziek van The Doors’ klonk niet als die van eender welke andere groep. De Morrison van deze film is echter duidelijk iemand die het succes niet aankan, en zich verliest in drugs, drank en al de vrouwen die hij maar kan krijgen. Hij heeft een morbide fascinatie met de dood, wandelt doodkalm op de randen van hoge gebouwen en gaat lachend aan de vensterbank van een hotel hangen, vele verdiepingen boven de grond. Wanneer blijkt dat z’n vriendin hem bedriegt, sluit hij haar op in een klerenkast, die hij vervolgens in brand steekt. En dat is de voornaamste kritiek die de fans hadden tegen deze film: wie alléén afgaat op de film ‘The Doors’, zou Morrison gaan beschouwen als een ordinaire zatlap die af en toe op een podium kroop om tien minuten later ofwel dronken neer te storten, ofwel gearresteerd te worden omdat hij z’n pik niet in z’n broek kon houden. Dat de man ook een paar van de beste teksten in de geschiedenis van de rockmuziek heeft geschreven, en een stem bezat waarmee hij à la minute kippenvel kon doen uitbreken over elke vierkante centimeter van je lijf, wordt daarbij naar het zijplan verdrongen. Morrison was een dichter, een zanger en een dronkaard. In de film van Stone is hij een dronkaard, een drugverslaafde, een arrogant klootzakje, een dichter en een zanger. In die volgorde. Maar opnieuw: daarmee is niet gezegd dat het slechte film is. ‘The Doors’ werkt beter als een verfilming van de muziek van de legendarische groep, dan als een biopic van de zanger. De sfeer van de liedjes wordt perfect weergegeven in lange, surrealistische scènes, zoals die in de woestijn, terwijl ‘The End’ speelt. Ook de concertscènes behoren tot het beste dat er ooit op dat gebied is gedaan, met een minutieus georchestreerde chaos van een onberekenbare zanger, een uitzinnig publiek en een politiemacht die wanhopig probeert om een beetje orde te bewaren. Val Kilmer was een vrijwel volslagen onbekende toen Stone hem castte voor de rol van Morrison. Hij had een klein rolletje gespeeld in ‘Top Gun’, en de hoofdrol in Ron Howards ‘Willow’, maar die laatste film was geen commercieel succes bij z’n aanvankelijke release. Het is onwaarschijnlijk hoe sterk de fysieke en vocale gelijkenis tussen Kilmer en Morrison is. Kilmer, een method-acteur, heeft tijdens de hele draaiperiode niets anders gedragen dan een leren broek en laarzen, en ging na een tijdje geloven dat hij letterlijk bezeten was door de geest van Morrison. De acteur werd er op de set naar verluidt niet bepaald een gemakkelijker mens op (dat is hij sowieso al niet), maar zijn vertolking is zonder meer perfect – het is niet te geloven dat hij hier geen oscar voor heeft gekregen. De muziek in de film is overigens een mengeling van originele opnames en (vele) stukken die Kilmer zelf inzong. De overlevende leden van The Doors kregen een opname met de stem van de acteur te horen, en konden geen verschil horen tussen hem en de echte Morrison. Je zou nog bijna gaan geloven dat Kilmer écht bezeten was. Liever hij dan Meg Ryan, die hier een poging ondernam om te breken met haar brave meisjes-imago, maar zich duidelijk niet op haar gemak voelt in het universum van Stone en The Doors. Let op een bepaalde scène, waarin ze met Morrison in bed ligt, en strategisch haar borsten afdekt met haar armen. Stone vertelde later dat hij haar wel honderd keer gevraagd heeft om haar armen gewoon te laten liggen, niemand dekt zich zo af wanneer ze in bed liggen met hun man, maar hij kreeg haar niet zover. Dat zou nog een dikke tien jaar duren, toen Jane Campion Ryan wél in haar blootje kreeg. Stone weet evenwel een overtuigend tijdsbeeld op te hangen, prachtig gefilmd in overwegend gele en oranje tinten door Robert Richardson, zijn vaste cinematograaf sinds 'Salvador'. De camera lijkt geen seconde stil te staan, en lijkt regelmatig mee te bewegen op het ritme van de muziek, om de sfeer te versterken. In 1970 stuurde een jonge Oliver Stone een vroege versie van het scenario van ‘Platoon’ op naar de echte Jim Morrison, met de bedoeling dat hij er de hoofdrol in zou spelen. Dat script werd teruggevonden onder de bezittingen van Morrison na zijn dood, een dood die hooguit enkele weken of maanden later kan zijn gekomen. Sindsdien heeft Stone zich, net als iedereen, zijn eigen beeld verworven van de zanger, zijn eigen persoonlijke Jim Morrison. Dat is nu eenmaal wat we doen met beroemdheden die we nooit ontmoet, laat staan gekend hebben: we gaan ze voor onszelf heruitvinden, we maken ons een persoonlijke voorstelling van hoe ze waren, wat hun karakter was. En die visie heeft Stone vervolgens in z’n film gegoten, heel vaak zonder zich te storen aan de waarheid zoals die verkondigd wordt door wie hem wél kende. Voor de feiten hoeft u hier dus niet naar te kijken. Een fascinerende, sfeerrijke en – met uitzondering van Meg Ryan – goed geacteerde film, vindt u hier wel.
Door Dennis Van Dessel 05/02/2004 - categorie : movie - 
verstuur dit artikel aan een vriend    Share on Facebook
 Lees de reacties (2) van anderen of geef uw mening
|