Regie: Alfred Hitchcock Scenario: Charles Bennett, Joan Harrison e.a. Met: Joel McCrea, Herbert Marshall, Albert Bassermann e.a. 120 min. / USA / 1940
Wanneer er over Alfred Hitchcock gesproken of geschreven wordt, gebeurt dat meestal in termen van de twee belangrijke periodes uit zijn carrière: zijn vroege jaren in Engeland, waarin hij relatief eenvoudige mystery-thrillers maakte, en zijn latere jaren (de jaren vijftig en zestig), waarin psychologie een grotere rol ging spelen (denk maar aan films als ‘Vertigo' en ‘Marnie'). De tijd die daar tussenin lag, de jaren veertig, wordt echter veel minder behandeld, schijnbaar veroordeeld tot de status van bastaardperiode, waar dan enkele interessante uitzonderingen uit tevoorschijn kwamen, zoals ‘Notorious' en ‘Suspicion'. Over de propagandafilms van Hitchcock wordt zelden gesproken.
Nochtans is dat precies wat de master of suspense een tijdlang maakte. In 1940, vlak na zijn oversteek naar Amerika, maakte hij twee films: de klassieker ‘Rebecca' en ‘Foreign Correspondent', een oorlogsthriller waarvan de dunne plot slechts een middel is om de allesoverheersende boodschap door te drukken: Amerika moest zich in de Tweede Wereldoorlog mengen, en vlug een beetje! Meestal is het bon ton om producent Walter Wanger de schuld te geven van het (tegenwoordig nogal naïef aandoende) ultrapatriottische toontje van ‘Foreign Correspondent', maar dat is buiten de historische werkelijkheid gerekend dat Hitchcock nog familieleden en vrienden had wonen in Engeland, die regelmatig suf werden gebombardeerd door de nazi's. Niemand wilde een Amerikaanse betrokkenheid in WO II meer dan de Britten, en deze vroege Amerikaanse Hitchcock is weinig meer dan een algemene oproep om precies dat te bewerkstelligen. Zelfs Joseph Goebbels was naar verluidt onder de indruk van zijn kracht als propagandawerktuig.
Dat rabiaat pro-Amerikaanse toontje zorgde er destijds voor dat ‘Foreign Correspondent' een groot financieel succes werd, met daar bovenop nog eens zes Oscarnominaties (inclusief één voor beste film, hoewel die prijs uiteindelijk naar Hitchcocks andere prent van dat jaar, ‘Rebecca', ging). Tegenwoordig is het echter één van zijn minder bekende films, die diep in de schaduw staat van zijn minder politiek gebonden, en daardoor minder gedateerde werk.
Joel McCrea speelt Johnny Jones (hoe all American kan een naam worden?), een eigenzinnige journalist die door zijn hoofdredacteur naar Europa wordt gestuurd om daar verslag uit te brengen van de oorlogsdreiging. In Londen maakt hij kennis met Stephen Fisher (Herbert Marshall) en de Nederlander Van Meer (Albert Bassermann), twee sleutelfiguren van een vredesbeweging. Nadat Van Meer voor Johnny's ogen wordt neergeschoten, raakt de kersverse foreign correspondent betrokken in een uitgebreid complot van de vijand om levensbelangrijke informatie te weten te komen.
Die plot werd in elkaar geknutseld door zo'n 14 scenaristen, wat misschien verklaart waarom hij zo'n onsamenhangende indruk maakt. Al gauw blijkt immers dat het moordslachtoffer niet Van Meer zelf was, maar een dubbelganger. De échte Van Meer werd ontvoerd, opdat hij vervolgens de inhoud van een geheime clausule uit een vredesverdrag zou kunnen verraden. We komen nooit te weten waar de slechteriken zo plotseling een perfecte dubbelganger vandaan haalden, of zelfs wat nu precies dat grote geheim was dat ze uit Van Meer wilden slaan. In principe is dat ook niet belangrijk - de geheime clausule is niet meer dan een MacGuffin, het mysterieuze stukje informatie dat alle personages willen hebben (of beschermen) en dat bijgevolg de plot op gang trekt. Maar zo'n MacGuffin kan ook in meer of mindere mate overtuigend zijn, en hier lijkt hij weinig meer dan een bijgedachte. De personages lopen druk over en weer, er vinden achtervolgingen plaats, mensen worden van torens gesmeten en kruipen uit hotelvensters vele verdiepingen boven de grond, maar niets daarvan lijkt ooit enigszins gemotiveerd te zijn, omdat de centrale plot gimmick niet werkt.
Ook op andere gebieden heeft ‘Foreign Correspondent' zo zijn gebreken. Een aanzienlijk deel van de film speelt zich af in Nederland, maar het geheel werd natuurlijk opgenomen in Engeland, waar enkele figuranten pogingen ondernemen om een paar zinnen Nederlands uit hun mond te wringen. Het resultaat is een vaak hilarisch en meestal onverstaanbaar koeterwaals dat niets met de taal te maken heeft. Op bepaalde momenten spreken ze zelfs Duits. (Een Engelstalig publiek zal hier allicht geen last van hebben, maar het is wel een symptoom van de laissez-faire attitude van de makers.) Ook de tand des tijds heeft de film geen goed gedaan - wanneer Johnny zijn love interest daags na hun ontmoeting al meteen zijn eeuwige liefde verklaart en haar ten huwelijk vraagt, heeft een hedendaags publiek de neiging om giechelachtig te worden. (Op een bepaald moment ziet Johnny zich verplicht om zijn dame de rest van de nacht vast te houden in een hotel. Hij schiet ogenblikkelijk in een puriteinse kramp en schreeuwt uit: "Maar dat is onmogelijk!" Vervolgens bestelt hij dan maar een tweede éénpersoonskamer voor haar.) En dat is dan nog buiten de propagandadoeleinden van de film gerekend: ‘Foreign Correspondent' is een call to arms, waarin regelmatig patriottische monologen worden afgestoken die de absolute noodzaak benadrukken van Amerika om zich in de oorlog te mengen. "Amerika is het enige licht dat nog schijnt in deze duisternis," declameert Johnny aan het einde, terwijl de bommen vallen op Londen. Waarna het Amerikaanse volkslied trots schalt over de eindaftiteling. Subtiel. Bepaalde critici hebben die overdreven militaristische sfeer proberen uit te leggen als een parodie, als Hitchcock die een verholen knipoog probeerde te geven aan zijn publiek, maar de toon van de film is zo oprecht dat die theorie maar weinig steek houdt.
Dat alles zorgt ervoor dat ‘Foreign Correspondent' nooit op het bovenste schap van de Hitchcockfilms zal liggen, hoewel er wel lol mee valt te beleven. De regisseur is nog altijd goed in het construeren van suspensescènes, en heeft hier twee prachtexemplaren. De eerste is de moord op Van Meer, waarin een camera gebruikt wordt om het pistool te verbergen en er vervolgens een achtervolging plaatsvindt onder de paraplu's van de omstanders en per auto. Hitchcock toont hier een strakke visuele stijl en een heerlijk gevoel voor fysieke humor (de man die met z'n melkflesje de straat probeert over te steken!). De tweede scène is een vliegtuigcrash op het einde, die er naar huidige standaards nog altijd verrassend goed uitziet en echte spanning weet op te wekken.
De film is trouwens niet alleen onbedoeld grappig - de dialogen, waaraan ‘His Girl Friday'-schrijver Ben Hecht nog sleutelde, zijn snedig en staan vaak geestig in contrast met de situaties. Wat dacht u van een collega van Johnny die een kamer vol tot de tanden gewapende spionnen binnenstapt en doodgemoedereerd zegt: "Goeiedag, ik ben van een verzekeringsmaatschappij, bent u soms geïnteresseerd in een polis?" Het is op die momenten dat de speelse spirit van een echte Hitchcock door de pijnlijk zelfingenomen nobele bedoelingen van het verhaal komt schemeren.
‘Foreign Correspondent' is dus zeker geen totale flop, maar werd zo specifiek gemaakt voor zijn eigen tijd dat hij nu eerder interessant is als curiosum dan als op zichzelf staande film.
Hieronder een interessant interview met Hitchcock, waarin onder andere Foreign Correspondent uitgebreid besproken wordt:
Engelen, duivels en de dood is nabij: The Imaginarium of Terry Gilliam Gewoon al het feit dat Terry Gilliam een nieuwe film uit heeft, is voor elke rechtgeaarde cinefiel een reden tot gejuich en verwondering. Let's face it, telkens wanneer de man aan een nieuw project begint, worden er weddenschappen afgesloten of hij hem zal kunnen afmaken of niet, en hoeveel mensen er het leven bij zullen inschieten vooraleer het zover is. Miserie dat die man heeft meegemaakt, niet te geloven. Maar zijn films zijn telkens fantasierijke feesten voor elke cinefiel. Naar aanleiding van 'The Imaginarium of Dr Parnassus' zetten we zijn werk nog eens op een rijtje!