
Regie: Steven Soderbergh Scenario: Coleman Hough Met: Debbie Doebereiner, Dustin Ashley, Misty Wilkins e.a. 73 min. / USA / 2005
Geen grotere kameleon in de Amerikaanse filmindustrie dan Steven Soderbergh. Regelmatig slaat hij toe met glossy Hollywoodentertainment zoals ‘Ocean Eleven’, en tussendoor amuseert hij zich dan weer met vaak bizarre experimenten zoals ‘Full Frontal’ of deze ‘Bubble’. Leg die films naast elkaar en je kunt nauwelijks geloven dat dezelfde persoon ervoor verantwoordelijk is kunnen zijn. ‘Bubble’ is op alle gebieden een eigenaardig project: Soderbergh filmde met niet-professionele acteurs, gebruikte die mensen hun eigen huizen als sets, liet ze zelf hun dialogen improviseren en bracht zijn film in de VS gelijktijdig uit in de bioscoop én op dvd en betaaltelevisie. Die laatste move werd om voor de hand liggende redenen fel bekritiseerd door de bioscoopuitbaters van Amerika, maar vanuit Soderberghs standpunt bekeken valt er wel degelijk een logica in te vinden: een kleinschalige arthouse film zoals ‘Bubble’ wordt op een zeer beperkt aantal schermen uitgebracht. In dit geval waren dat er drie. Drie cinema’s die zijn film vertoonden in heel Amerika, dat was alles. Daarna werden het er een twintigtal, nog steeds niet spectaculair. Kleine filmpjes zoals deze krijgen simpelweg de kans niet om een publiek te vinden, en media voor het kleine scherm bieden dan een mooie oplossing. Je zult maar eens ergens in een boerengat in Kansas wonen en naar ‘Bubble’ willen kijken – dvd en tv geven dit soort films op z’n minst de gelegenheid om gezien te worden.
De film zelf lijkt verwant aan de laatste paar projecten van Gus Van Sant (‘Gerry’, ‘Elephant’ en ‘Last Days’), in de zin dat het een trage, hypnotiserende ervaring is, waarin op de keper beschouwd geen lor gebeurt, maar die toch fascinerend weet te blijven (hoewel dat in het geval van ‘Last Days’ heel wat minder het geval was). Net als Van Sant kiest Soderbergh hier resoluut voor minimalisme op alle vlakken, hoewel de uiteindelijke bedoeling daarvan toch nog verschillend is. Van Sant gebruikte minimalisme, maar dan wel op een gestileerde manier, met zijn lyrische steadicamshots en bijna surrealistisch gebruik van de tijd. Hij gebruikte minimalisme om iets toe te voegen aan de werkelijkheid. Soderbergh, daarentegen, wil het echte leven vatten door er vanaf het begin al niks aan te veranderen voor zijn film. Hij neemt échte mensen, op échte locaties, laat ze in hun eigen woorden spreken en laat vervolgens zijn camera’s draaien. Hoe minder je doet, hoe beter, want hoe minder je doet, hoe minder je de realiteit aantast. Dat is dan weer minimalisme op een andere manier aangewend.
Het enige dat hij wél heeft gedaan, is natuurlijk een situatie verzinnen voor die mensen. We krijgen het verhaal van Martha (Debbie Doebereiner), een arbeidster in een fabriek waar speelpoppen worden gemaakt. Haar leven is er één van doodeenvoudige, geestdodende routine: ze verzorgt haar zieke vader, gaat werken, komt naar huis, kijkt tv en gaat slapen. Tijdens de lunchpauzes praat ze met Kyle (Dustin Ashley), een veel jongere collega die al evenzeer vastzit in een uitzichtloos leventje als fabrieksarbeider. Hun vriendschap heeft niets seksueels en vanaf het begin krijgen we de indruk dat geen van beiden het ooit in die richting zouden willen sturen. Hun contact is eenvoudig, zuiver, zonder de onvermijdelijke chaos die romantische gevoelens met zich meebrengen.
Maar dan verschijnt Rose (Misty Wilkins) ten tonele, een nieuwe collega die op de één of andere manier lijkt te klikken met Kyle op een manier die Martha dwarszit. De simpele one-on-one vriendschapsband die ze met Kyle had, wordt verstoord, en hoewel er absoluut niets openlijk van wordt gezegd (stel je voor), krijgen we de indruk dat dat haar niet bevalt.
Meer van de plot vertellen zou zonde zijn, maar wat wel duidelijk is, is dat Soderbergh hier in de eerste plaats het verhaal wilde vertellen van enkele verschrikkelijk eenzame mensen die wanhopig op zoek zijn naar contact met elkaar, maar zelfs niet over de vocabulaire beschikken om ernaar te vragen. Voor zover ze zichzelf al van hun eigen problemen bewust zijn in the first place. Voor het grootste deel van de film zitten de personages stilletjes tegenover elkaar. Af en toe zeggen ze wat banaliteiten. Ze doen wat ze moeten doen om hun leven te onderhouden, voor wat het waard is. Dit zijn geen domme mensen, en al zeker geen waardeloze mensen, maar gewoon personen die nooit hun waarde hebben moeten tonen en nooit een richting hebben gekregen waarin ze hun intellect konden sturen. Dus daar zitten ze nu, alleen en zonder de nodige wapens om daar iets aan te veranderen. Uiteindelijk moet dat mislopen, en die dodelijke verveling van alledag leidt ten slotte tot een gruwelijke wending.
Die verveling en de banaliteit van die levens dicteren ook de stijl van de film: Soderbergh heeft er een extreem korte prent van gemaakt (met 73 minuten staat u alweer buiten) en toch is het een langzame prent. Vroeger had de regisseur een hekel aan shots vanop een statief, en werkte hij met zandzakjes tussen camera en driepoot om te vermijden dat het beeld helemaal stabiel zou zijn. ‘Bubble’, daarentegen, is vrijwel integraal vanop een statief gefilmd. Vaak krijgen we statische shots die soms enkele minuten lang duren, soms gebruikt Soderbergh tergend langzame, doelbewuste panshots (waarbij de camera horizontaal beweegt zonder van de driepoot af te komen). Erg flitsend kun je dat niet noemen, maar het past wel bij het totale gebrek aan beweging in de levens van de personages.
Veel van de scènes tijdens de eerste 45 minuten lijken nauwelijks een pointe te hebben. Ze dragen enkel bij aan de lichtjes deprimerende sfeer van de prent en zuigen ons steeds dieper in het leven en de mentale wereld van de hoofdpersonages. Soderbergh komt vaak gevaarlijk dicht tegen de grens van pretentie en langdradigheid, maar omdat die mensen in hun alledaagsheid toch zo verdomd fascinerend zijn om naar te kijken, blijven we toch geboeid. Of althans, ík bleef geboeid, ik weet niet hoe een ander erop reageert. Dan komen die laatste twintig à dertig minuten en krijgen we een fenomenale pay off die al ons geduld de moeite waard maakt.
Dit soort films is altijd een dubbeltje op z’n kant. Het is een experiment, en als je er ook maar een beetje te ver in gaat, dan eindig je met ‘Last Days’ – hemeltergende verveling. Zoals het is, blijf je zitten met een memorabel miniatuurfilmpje, waarin niks gebeurt, maar waarin alles wat niet gebeurt wel ongelooflijk boeiend is.
Door Dennis Van Dessel 06/09/2006 - categorie : movie - 
verstuur dit artikel aan een vriend    Share on Facebook
 Lees de reacties (1) van anderen of geef uw mening
|