 |

Universal, 2008
Voor Digg*ers van: Portishead, maar dan ijs- en ijskoud.
Het is enkel redactionele luiheid die ons verhindert om u om de oren te slaan met keihard en onweerlegbaar bewijsmateriaal, maar onze kleine teen is ervan overtuigd dat de zwangerschappen bij jongvolwassenen tussen 1994 en 1997 een aanzienlijk hoge vlucht moeten hebben genomen. In tegenstelling tot serieuze studies, die dergelijke hausses plegen toe te schrijven aan de verhoogde inwijking van allochtonen en fluctuaties in de werkloosheidcijfers, schuiven wij deze enorme toename van jeugdige worpen graag in de schoenen van Geoff Barlow en Beth Gibbons, respectievelijk creatief brein en getergde sirene van het steevast door het adjectief ‘onweerstaanbare’ vergezelde Portishead.
De eigenzinnige mix van geniale samplekunsten en bloedmelancholische soul die dit gezelschap uit triphop capital Bristol middels ‘Dummy’ en – misschien nog net dat tikkeltje beter – ‘Portishead’ aan de mensheid toevertrouwde, zorgde in slaapkamers, keukens en sofa’s over de hele wereld voor verhoogde activiteit. Het zijn ook platen waar je ondanks hevig innerlijk protest ook vlug aan verslingerd raakt: uw dienaar zal heus wel niet de enige vent zijn die zich al liet betrappen op het luid meebrullen van een voortreffelijke zinsnede als “I just wanna be a woman” (uit ‘Glory Box’). Vreemd toch. Zij die dachten dat ‘Third’ op diezelfde manier dé oplossing voor de sluimerende vergrijzing zou brengen, zijn eraan voor de moeite: het ouderwetse kacheltje dat Portishead vroeger in stelling bracht om gepijnigde en kille harten wat warmte toe te blazen en testosteron en oestrogeen tot aan het plafond te doen opborrelen, rust op de vuilnisbelt en werd vervangen door een nieuwer model. Een type dat, naast af en toe een straaltje warmte, vooral kille lucht blaast. Maar geldt ook hier niet dat desperate times desperate measures vragen? Of op zijn minst verschillende?
Het viel ergens wel te verwachten dat Barrow en Gibbons voor hun derde langspeler andere wateren gingen bezeilen: Gibbons had in het gezelschap van Talk Talk-man Rustin’ Man enkele jaren terug al een album uitgebracht dat meer de folky toer opging, en gezien het aantal zielloze copycats die door de jaren heen de beknopte Portishead-erfenis met hun probeersels hadden besmeurd, was het niet meer dan logisch dat ook Barrow zijn horizonten verruimde. Het kan een verklaring zijn voor de soms wel erg bruuske koerswijziging die op ‘Third’ te noteren valt: de sublieme single ‘Machine Gun’ drijft niet op de vroeger alomtegenwoordige brush strokes, maar op keiharde, machinale beats die slechts worden gedempt door het gezang van Gibbons, dat hier meer dan ooit tot aan de hemel reikt. Net als veel songs op ‘Third’, bevat ook deze track enkele op zijn minst merkwaardige wendingen. Vreemde breaks die bij een eerste luisterbeurt nog voor enig wenkenbrauwengefrons zorgen, maken het plaatje echter compleet: de wel erg eighties finale – het lijkt wel of iemand Giorgio Moroder uit zijn gecapittonneerde cel heeft gelaten – bijvoorbeeld, of de beats die ondanks Gibbons’ angelieke interventies steeds harder en minder grijpbaar gaan klinken.
Tijdens ‘ We Carry On’ worden die gigantische borstels boven uw oogkassen nog zwaarder op de proef gesteld. Hier is de vertrouwde rhodes verstoten door een constant doorjakkerende moog, die de song van bij de openingsseconde in een hypnotiserende dark-ravemodus stuwt. En om het contrast compleet te maken, transporteert ‘Deep Water’ de luisteraar middels banjo en een weldadige southern feel vervolgens naar de diepe moerassen van Louisiana. Om maar te zeggen dat de vlinderpopulatie in uw buik zich niet bij de eerste luisterbeurt van ‘Third’ begint te roeren. Maar was dat ook bij ‘Dummy’ niet het geval, als u heel erg eerlijk bent?
De parels liggen voor het rapen op deze nieuwe Portishead: ‘Plastic’ vertoeft eventjes op vertrouwd gebied, maar drijft heerlijk weg op een bedje van samples en de onvermijdelijke verzuchtingen van Gibbons. De basis van ‘The Rip’ is dan weer pure folk, maar put kracht uit een subtiel aangewende theremine en gestaag aanzwellende electronica. ‘Small’ is evenwel het grootste prijsbeest: een deprimerende cello met een in laagjes gestapelde Gibbons daarbovenop, maar vooral een U-turn die de song prompt de psychelische toer opstuurt. Wij zoeken bij elke draaibeurt nog steeds naar dat ene lichaamshaartje dat niét opveert bij zo veel ongepolijste schoonheid.
‘Third’ is een taaie brok om in één keer te doorgronden en klinkt aanvankelijk erg klinisch, maar al gauw ontplooit zich een overrompelend ‘totaalalbum’ dat alles omvat waar goede muziek zou moeten voor staan: diepgewortelde emoties (hier voornamelijk eenzaamheid, gebroken harten en verbittering, maar zo kennen we ze weer), een tracklist waar menige duveltjes uit hun respectieve doosjes springen en een optater van jewelste voor iedereen die in deze release een wanhoopspoging zag om een sterk merk tot de laatste druppel uit te melken. En wat de seks betreft die u op deze plaat beleeft: die zal er niet minder om zijn. Gewoon anders. En waarschijnlijk zelfs beter. Tot in Vorst, zeker?
Portishead staat op 8 mei in Vorst Nationaal, voor de tragen van begrip helaas voor een uitverkochte zaal.
Door Joost Devriesere 29/04/2008 - categorie : music - 
verstuur dit artikel aan een vriend    Share on Facebook
 Lees de reacties (5) van anderen of geef uw mening
|