Voor Digg*ers van: doorleefde, eclectische singer-songwritersongs.
Soms voelen we mee met minder getalenteerde acts die ons tot in het diepste van ons zijn proberen te raken. Als gedreven Don Quichotes blijven ze met een middelmatige discografie de windmolens bevechten terwijl een zangpartij van Ian Curtis, een riff uit het prog-boek van Tool of een ijle pianomelodie van Sigur Rós hun vruchteloze pogingen tot kapotte zaadjes degradeert waaruit nooit een bloem ontspruiten. Patrick Watson is zo’n muzikant/tuinier die onmiddellijk met een fluwelen stormram de poorten van het hart openbreekt om er een bloemenperk van ontluikende pracht aan te leggen. In tegenstelling tot de voorspelbare stijloefeningen met gitaar en stem van vele singer-songwriters, doorbreekt deze Canadese troubadour de grenzen van het genre door elementen uit de klassieke muziek, rock en elektronica in het mengsel op zijn petrischaaltje te verwerken. De walmen die vrijkomen na de chemische reactie zijn bedwelmender dan een dagje coffeeshoppen bij onze noorderburen en laten ons geloven dat het paradijs soms dichterbij is dan we zelf vermoeden.
Patrick Watson heeft met zijn band al het podium gedeeld met Feist, Philip Glass, The Dears en Interpol en de verscheidenheid van deze namen wordt ook weerspiegeld in de muziek van de man. De pastorale eenvoud van een uitgepuurde pianocompositie fungeert als de wolk waarop dromerige, doorleefde songs naar de hemel zweven. Patrick Watson is romantisch zonder klef te zijn en stopt zijn nummers vol verschillende invloeden zonder dat ze onder hun eigen gewicht een pijnlijke landing maken.
Met het titelnummer komt de trein en daarmee ook de droom van Watson meteen op gang en de ogen beginnen aan een bezeten rapid eye movement. Watsons stem neigt sterk naar die van M. Ward en als een echo van een opgedoekt radiostation laveren zijn ijle vocalen behendig rond goedkope hitpop. Met ‘Daydreamer’ volgt dan het absolute hoogtepunt van de plaat: de droom gaat helemaal voor anker en ondanks een smeltkroes van invloeden is deze song niet minder etherisch dan de vorige. Watson sleurt je mee naar een Alice in Wonderland-wereld waar indietronica, klassieke muziek, country en de androgyne soul van Antony & The Johnsons als witte konijnen rondhuppelen. Sprookjesachtig, subtiel en meeslepend: ‘Daydreamer’ is de blauwdruk van veelzijdige en innovatieve singer-songwriter-kunst.
Tijdens ‘Slip into Your Skin’ en ‘Giver’ spoken de geesten tussen de pianosnaren en profileert Watson zich als een Rufus Wainwright zonder een voorliefde voor bombast, maar het is vooral met ‘Weight of the World’ dat zijn talent nogmaals sterk in de verf wordt gezet. Van het zweven op vliegende eilandjes keert Watson terug naar de donkere steegjes en riolen. Als een Tom Waits zonder de grom sluipt hij rond in het hol van de beer terwijl zingende zagen, blazers en strijkers het gevaar van zijn tocht onderstrepen. De sfeer wordt er niet luchtiger op met ‘The Storm’, een song die uitblinkt in opkomende en wegebbende klankpatronen waar elektronica-fetisjisten ook graag mee uitpakken.
Met pianocomposities die zich tussen Yann Tiersen en Triosk situeren, houdt Patrick Watson de spanning in zijn plaat, maar de Canadees kan niet verhinderen dat de tweede plaathelft net iets minder boeit dan de eerste. ‘Mr. Tom’, ‘Drifters’ en ‘Man Under the Sea’ zijn ook meer dan de moeite waard, maar de plaat telt een paar pianosongs te veel om ons heel de rit aan de stereo gekluisterd te houden.
Muggenzifterij, vindt u? Misschien hebt u wel gelijk, want ‘Close to Paradise’ is een boeiende reis naar het muzikale Walhalla. Elke song is een etappe richting hemel en hoewel de rittenkoers niet perfect is uitgestippeld, bereikt Patrick Watson zijn doel met sprekend gemak. De man refereert zowel aan traditionele singer-songwriters als aan The Postal Service of Sigur Rós en vergis u niet, die combinatie klinkt wel degelijk even goed in de praktijk als op papier.